
Ons hele huis ruikt naar beskuit wanneer we bakken. Eerst worden de bolletjies gerold, de kleine balletjes deeg die samen een bakplaat vol maken. Dan gaan ze de oven in, en na het bakken volgt het echte werk: uren lang langzaam drogen tot ze knapperig zijn.
Beskuit is Zuid-Afrikaanse tweemaal gebakken beschuit. De traditie kwam ooit met Nederlandse kolonisten mee naar de Kaap en werd daar echt Zuid-Afrikaans. Vroeger namen mensen ze mee op lange reizen omdat ze zo lang goed blijven, en tot op de dag van vandaag horen ze gewoon bij de koffie.

Voor mij is beskuit vooral een herinnering. Mijn ma en ik bakten altijd beskuit vóór de vakantie. Dat was ons ritueel: koffiedrinken naast de Nsemani-dam in het Krugerpark, met verse beskuit erbij. Ik was een jaar of zeven, acht toen ik haar hielp met de bolletjies. Ze leerde me hoe je het deeg tussen je ringvinger en duim door laat glijden om precies de goede maat te krijgen.
We maakten ook verschillende soorten, want mijn pa was dol op anijsbeskuit en mijn ma hield van bruinbeskuit. En de bakkers, wij dus, mochten de “flops” opeten.

Daarna rook het huis nog twee dagen lang naar beskuit, terwijl alles droogde. Dat warme gevoel, dat ritueel, is precies wat ik met Suikerbekkie Keuken wil delen.
Benieuwd hoe je beskuit het beste eet?
Lees: Hoe eet je beskuit →